Landmannen onder elkaar
Pierre van Outryve d'Ydewalle

Portret door Eric Van Hove (Knack – 21 januari 1987)

D Pierre Landmannen1De godsvrede die in oktober van vorig jaar inzake Voeren werd afgekondigd, loopt stilaan ten einde, en daarmee ook de bemiddelingsopdracht waarmee de 74-jarige Pierre van Outryve d'Ydewalle door de regering werd belast. Het moment nadert waarop hij zijn huiswerk aan de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Joseph Michel, zal moeten overhandigen. Dat wordt vrijwel zeker een dubbel werkstuk : een aantal aanbevelingen die er moeten toe leiden om de verstandhouding in de Voerense gemeenschap opnieuw in redelijke banen te brengen en een wellicht meer konfidentieel deel, waarin een strategie wordt uitgewerkt naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 toe. 

Vooral dat laatste blijkt een klus naar de hand van een routinier zoals Pierre d'Ydewalle, die een groot deel van zijn carrière goeverneur van West-Vlaanderen is geweest. Het is daarom interessant om even na te gaan welke kijk op de institutionele problemen deze grand commis de l'Etat in de loop der jaren wereldkundig heeft gemaakt.

Wie Pierre d'Ydewalle wil begrijpen, moet niet in de Brusselse Wetstraat zijn. Men moet hem zien in de dreef van zijn prachtige landgoed Holmstuck, zo'n vijf kilometer ten zuiden van Brugge. Op een boogscheut van de bekende abdij van Zevenkerke en in de streek van 't Veld, waar zijn overgrootvader Emmanuel-Louis van Outryve in 1798 verbeurd verklaarde abdijgrond verwierf.

Als een man zoals Pierre d'Ydewalle zo'n moeilijke opdracht accepteert, zoals het uitwerken van een oplossing voor Voeren, doet hij dat vanzelfsprekend vanuit een heel eigen achtergrond. Niet dat hij vertrouwd was met de lokale toestanden in Voeren — bij zijn eerste kontakt verwonderde het hem dat zoveel mensen van de Retour à Liège-groep behoorlijk Nederlands spreken —, maar tegenover de belangrijkste auteurs in dit blijspel heeft hij toch wel een bepaalde grondhouding.

Zo zal hij de Limburgse goeverneur Harry Vandermeulen zeker geen strobreed in de weg leggen. Een man die zelf gedurende 34 jaar gouwheer is geweest, kan respekt opbrengen voor het ambt. Pierre d'Ydewalle citeerde overigens altijd graag het woord van zijn politieke „patron", Hubert Pierlot, die zich in 1934 als minister van Binnenlandse Zaken tot volgende uitspraak liet verleiden : Naast administratieve eigenschappen moet de goeverneur ook de kwaliteiten van een bewindsman hebben. Zijn politieke zin (...) moet het overwicht hebben. (...) De bewindsman moet de voorrang hebben op de ambtenaar, wat geenszins het ontzag voor de regels van de hiërarchie en het staatsgezag uitsluit."

Bij het afscheid als goeverneur in 1978 citeerde Pierre d'Ydewalle deze beginselverklaring van Pierlot uitvoerig. En hij voegde eraan toe : „Eigenlijk komt het erop neer dat de goeverneur zelf de inhoud van zijn ambt bepaalt, wat hem des te gemakkelijker valt daar de funktie wel zeer uitzonderlijk is..."

Maar Pierre van Outryve d'Ydewalle is zeker ook een man die van orde en gezag houdt, en die onwettelijke toestanden niet eindeloos wil zien aanslepen. „Geen enkele maatschappij kan bestaan zonder gezag. Ons gemeenschapsleven veronderstelt een regeling, door iedereen aanvaard, waarvan de inbreuk moet beteugeld en de overtreding moet bestraft worden. (...) Een ordelijk en rustig samenleven hangt ervan af .

Dit geschrift uit 1961 mag al een zekere waarschuwing inhouden voor een bepaalde fruitkweker uit Voeren. De opvattingen die d'Ydewalle in zijn lange carrière over het burgermeesterschap heeft verkondigd, zouden hem tot nog meer behoedzaamheid moeten aansporen. José Happart zal inderdaad met belangstelling vernemen dat Pierre d'Ydewalle eigenlijk altijd een voorstander is geweest van het benoemen van burgemeesters buiten de gemeenteraad. De burgemeesters zouden in de toekomst liefst niet meer worden verkozen, doch wel rechtstreeks bij Koninklijk Besluit worden benoemd," heette het in 1971. „Sommigen zullen zo'n benoeming als ondemokratisch doodverven, net alsof het een summum van demokratie zou zijn om alle openbare funkties aan verkiezingen te onderwerpen. (...) Hoofdzaak blijft dat de rechtvaardige wil van de meerderheid binnen het kader van de door grondwet en wet vastgelegde regels tot uiting komt."

Familie en traditie

Daaruit mag dan weer niet worden afgeleid dat hij geen eerbied zou hebben voor de gemeentelijke autonomie. Als er één tema door zijn verzamelde toespraken loopt, is het wel dat van de door hem zo gekoesterde kleine gemeente. In 1953 sprak hij lyrisch over de gemeente als lokale gemeenschap, niet als een administratief gemeentehuis. Ook al besefte hij later wel dat een en ander ook politiek-administratief moest worden vertaald. Hij citeerde in dat verband graag een tekst uit 1891, die zegt dat de gemeente de basis is van de staat, die op zichzelf niet meer is dan een verzameling van gemeenten.

Pierre d'Ydewalle in 1970 : „Laat het onze opmerkzaamheid niet ontgaan dat de gemeente ouder is dan de provincie en a fortiori ouder dan de staat. Van al onze instellingen staat de gemeente het dichtst bij de bevolking en dat is bij haar materiële en morele uitbouw meer dan ooit het geval. Want de diensten die zij bewijst zijn voor de betrokkenen het best waarneembaar (...).

D Pierre Landmannen2

Pierre d'Ydewalle wil het Voerense probleem dus zeker van zijn politieke karakter ontdoen door de nadruk te leg­gen op wat er lokaal leeft. Voeren is toch al een traditionalistische gemeen­schap, waar de grote beslissingen van oudsher vanuit het kasteel van graaf de Sécillon werden geregeld. Die wist het machtssysteem in de streek pienter in stand te houden door middel van lokale steunpunten in de verschillende dor­pen : een hereboer zoals Dodemont in zijn grote hoeve in Sint-Martens-Voeren en iemand zoals Pinckaers, die tegelijk burgemeester was van Teuven en ge­meentesekretaris in Remersdaal en Sint ­Martens-Voeren.

Om tot de huidige situatie te komen, moet José Happart de kaarten in die ge­meenschap wel lelijk door elkaar hebben geschud, onder meer voor wat de door de Dodemont-clan geregelde opvolging van het burgemeesterschap betreft. Iets wat hem door de lokale pretendenten zeker niet in dank is afgenomen, even­min trouwens als zijn (recente) socialis­tische sympatieën en zijn bepaald niet paapse levenswandel.

Maar zolang Voeren een symbool blijft lijkt José Happart onaantastbaar. Maar allicht hopen ook de Pinckaers en de Langs dat die toestand niet eeuwig duurt. Zij zijn beslist niet vies van het geld dat Charles-Ferdinand Nothomb in de beruchte Wynants-nacht voor Voeren zou hebben beloofd. Een boer kiest eie­ren voor zijn geld, en met die centen kon er, bijvoorbeeld, iets worden gedaan aan de rampzalige toestand van het we­gennet in de gemeente, of kon er een oplossing worden gevonden voor het overstromingsgevaar in ‘s Graven-voeren.

Pierre van Outryve dYdewalle lijkt in Voeren wel een bevoorrechte getuige te zijn : ook van adellijken bloede is hij te­gelijk ook een echte terrien, met zin voor familie en traditie. De genealogie van de van Outryves zoals die door André Van­houtrive werd opgetekend, leert dat de eigen familietak van de médiateur van onverdacht landelijke oorsprong is. De familie werd in 1771 in de adelstand ver­heven. De van Outryves oefenen pas sinds twee eeuwen het leenrecht uit over de door hen gekochte seigneurie Yde­walle in Nederland. Hun opgang begon toen ene Jean-Baptist van Outryve zich in het midden van de l7de eeuw in Ooigem vestigde en er met de dochter uit een vermogende boerenfamilie trouwde. Vele generaties van Outryve zouden daarna in dorpen zoals Ooigem en Oostrozebeke als notabelen een sociale rol vervullen, schepen worden, baljuw of burgemeester. Maar ook de van Outryves die de landbouw verlieten en verstedelijkten hielden zich in hun be­roepsaktiviteiten aan tradities en waar­den, zoals zij dat ook in de eeuwen tevo­ren hadden gedaan, schrijft Vanhou­trive.

Wijlen Hubert d'Ydewalle, neef van Pierre en vader van GIMV-voorzitter Raynier van Outryve d'Ydewalle, heeft die aloude verbondenheid tussen adel en grond verwoord in zijn traktaat „No­blesse en Flandre", dat in 1944 postuum werd uitgegeven. Grond(eigendom) is daarin voor de d'Ydewalles niet alleen een ekonomisch-juridisch feit, maar in de eerste plaats een sociale en morele opgave van de adel tegenover het Vlaamse volk.

Die tekst stamt uit 1944, maar Pierre herinnert hem zeker nog. In zijn jeugd nam hij met zijn neef Hubert deel aan een soort diskussie- en leesgroep van vooral jonge vertegenwoordigers van de adel, die tot stand kwam na de publika­tie in het Vlaams Opvoedkundig Tijd­schrift van een geruchtmakend artikel van kanunnik De Coene, waarin werd gesteld dat de adelstand in Vlaanderen op enkele uitzonderingen na het volk sinds tientallen jaren had verraden. Pierre d'Ydewalle heeft die les onthou­den, en hij heeft in latere geschriften al­tijd veel aandacht gehad voor het lande­lijke gemeenschapsleven.

Misschien is dat ook de stille wens van de regering, dat d'Ydewalle met wat spitsvondigheden oktober 1988 en de gemeenteraadsverkiezingen haalt. In de hoop dat de oude, landelijke logika zich dan in Voeren herstelt. Dat ene Happart dan alleen maar voor wat dei­ning in de kikkerpoel heeft gezorgd.